zondag 30 oktober 2011

Gemis

“mevrouw, mijn  man zit in het verpleeghuis, nu alweer een  paar maanden, ik mis hem.”  Het  was  moeilijk, maar toch ook gezellig, toen hij nog thuis was. Ik had  af en toe nog goed contact met hem, geloof  ik. Maar nu  zit ik hier maar alleen, en zie ik hem op zondag” En dat is toch anders.”Ja, zeg ik,het lijkt me vreselijk moeilijk. Maar waarom ziet u hem alleen op zondag, kunt u niet bijvoorbeeld ook eens op woensdag  gaan?” Nee, hij woont namelijk nogal ver weg, dat wilde de familie, voor iedereen makkelijk bereikbaar. En ik kan geen auto rijden, dus moet ik altijd met het openbaar vervoer, eerst de bus, dan de trein, dan weer een bus en dan nog een stukje lopen.” Het is bijna niet te doen” Nee dan is twee keer per week inderdaad wat teveel, zeg ik. “maar misschien  kunt u met uw familie meerijden, dat zou alles weer een stuk gemakkelijker maken”.  “Ja, maar die gaan altijd als het hun uitkomt en dan springen ze in de auto,  en dan rijden ze naar mijn man, dan nemen  ze mij  natuurlijk niet mee”. Ik  denk nu ga ik “hem” er in gooien: “Het is toch uw man, is het dan niet eenvoudiger als  u een verpleeghuis bij u in de buurt zoekt, dan kan u gaan wanneer u zou willen?”  “Ja, maar ik heb geen zin in ruzie met mijn  kinderen en de broers van mijn  man,  dat zou ik zo vervelend  vinden, ik heb ze ook  nog een beetje nodig”.  “Ja dat  is  een  dilemma, uw man,of uw familie’”  en ik kies partij voor de man, maar daar hou ik mijn mond over.  Na nog  wat langer gesproken te  hebben komt er eigenlijk uit dat deze mevrouw ook wat eenzaam is. Ze woont nu alleen, ziet weinig mensen en ook haar kinderen wonen ver weg. Daar belt ze wel mee. Ik adviseer haar eens bij een buurthuis een kopje koffie te gaan drinken, of kijken of  er ergens leuk  vrijwilligerswerk te doen is. Dat vond ze een heel goed idee, ze ging bij de kerk op het plein (zo zei  ze dat) vragen of  er nog iets voor haar te doen viel.

vrijdag 28 oktober 2011

Kippen en huisjes

De telefoon gaat: "Ik herken alles van dat blogje van jou". Wij spraken ook altijd over kippen". Mijn broer. Hij ging samen met zijn vriendin ook vaak wandelen met mijn moeder.
En naar nu blijkt ging hun gesprek dus ook over die ....kippen, en over huisjes. Aan de overkant van het verpleeghuis had je een dijkje met daarop een rijtje huisjes. Vanuit het restaurant kon je die huisjes zien. Als we daar zaten, wees mijn moeder altijd  naar dat rijtje en dan kwam er  met veel moeite  uit dat ze daar wel wilde wonen. Wij zeiden dan altijd: Ja, Ma, als er eentje vrij komt dan zorgen wij dat je daar mag wonen, maar nu kan het niet. Dan moeten we de mensen die daar wonen uit hun huis jagen". Dan lachte ze wat, en knikte ze. Wat er in haar hoofd omging weet ik natuurlijk niet, maar ik hoopte dat ze echt dacht dat ze daar op een dag zou wonen.
Dus op het terras waren het de "kippen". En binnen in het restaurant, de "huisjes". Misschien krijg ik binnenkort weer een telefoontje:"ja wij hadden  het ook altijd over die huisjes".

donderdag 27 oktober 2011

Mijn moeder

Ik wil hier even een herinnering aan mijn moeder ophalen. soms lees ik in mijn dagboek een stukje, waarvan ik denk dat wil ik niet meer vergeten.

Ik kon niet altijd goed met mijn  moeder overweg. Ze was soms erg kritisch naar mij toe: zo van  wat maakt die trui je dik,  wat zit je haar ordinair,en die lippenstift is volgens mij de verkeerde kleur. Maar  toen ze Alzheimer kreeg en heel kwetsbaar en angstig werd, heb ik altijd met heel veel liefde voor haar gezorgd. Ik ging elke avond haar eten brengen, of we kookte samen wat. Soms zette ik het neer in de volgorde van klaarmaken. Eerst de rijst, dan het vlees, dan de groente. En tot slot de kruiden. Dan hoopte  ik  dat het goed ging. Toen ze in de crisisopvang terecht kwam was ze heel verdrietig. We konden niet uitleggen waarom ze daar was. Ik zei soms dat ze daar was om tot rust te komen. Dat accepteerde ze dan eventjes. Andere keren was ze heel kwaad op me, en maakte me voor alles wat mooi en lelijk was uit. Ik was degene die haar daar had gebracht (dacht ze).  Na de crisisopvang kwam ze in het  verpleeghuis terecht. Met z’n zessen op een kamer. Dat ging veranderen maar in het begin was dat nog zo. Ik vond dat verschrikkelijk om te zien. Maar  ik geloof dat mijn moeder daar niet zo’n moeite mee had. Af en toe zei ze tegen me: wat ik hier zo erg vind, is dat ik nooit alleen ben.”Ik kon dat zo goed begrijpen.

Een middag ,het was mooi warm weer, zijn we met haar gaan wandelen. Zij in de rolstoel,  mijn man erachter en ik ernaast. Ze kon toen al niet meer zo goed praten. Maar we konden zien dat ze van alles zat te genieten. De zon, de bomen en vooral de vogels. Toen we bij het restaurant waren zijn we op het terras gaan  zitten. Mijn man ging wat te drinken halen. Toen hij terug kwam zei hij tegen mij: “het is zo vreemd hè, toen ik hiernaar toe  kwam  lopen en jullie zo zag zitten, leek het net of jullie een leuk gesprek voerde en er niets met je moeder aan de hand is”. Hij moest eens weten  dacht ik. We hebben over kippen gepraat. Althans ik zei:”kijk ma, een kip,leuk he?” “Kip” zei  mijn moeder, en ze wees er naar. “Ja een kip  en daar nog een, goh wat leuk”zei ik weer.  Gewoon omdat er niets anders was wat haar aandacht had. Behalve dan die kip. Dus ging het gesprek over die kip. Maar van een afstand leek het of we een gewoon moeder/dochter gesprek hadden.

woensdag 26 oktober 2011

Ingewikkeld

Sommige telefoontjes zijn heel ingewikkeld. Al weer een hele tijd geleden kreeg ik zo’n telefoontje, ”mevrouw ik hoop dat u ons kan helpen,want zelfs de politie kan het niet”. “En dan denkt u dat ik het wel  kan?” vraag ik vol verbazing, omdat ik me bijna niet kan voorstellen waarom je de Alzheimertelefoon belt als zelfs de politie je niet kan helpen maar goed, ik ga het proberen. “Ja, wij, dat wil zeggen een deel  van onze familie, hoopt het,want we komen er zo ook niet uit”.  Ik luister en de man gaat verder: “onze vader woont samen met een broer van ons. Hij, onze vader dus,heeft alzheimer. Mijn vader heeft nogal wat centjes. En onze broer geeft deze centen nu uit. Nu willen wij bij onze vader langs gaan, maar onze broer laat ons niet meer binnen”.  We hebben al door de brievenbus staan roepen, maar dat is ook een beetje gênant want dan gaan de buren zich ermee bemoeien. De enige die nog een beetje contact met hen heeft  is ons jongste zusje. Die mag af en toe naar binnen”. Als mijn broer in een goed humeur is tenminste. “Dus als ik het goed begrijp, is u vader zo’n beetje een gevangene  van uw broer?” zeg ik, ik kan me er helemaal niets bij voorstellen en in gedachte zie ik een vader in een gebarricadeerd huis, met een zoon met een geweer. Een beetje Wild West dus. “Ja, zo zou je het wel kunnen noemen”zegt de man, “mijn vader mag alleen met mijn broer naar buiten”. Ik denk, ik ga het eens van de andere kant bekijken en zeg: ‘Dat is toch fijn dat u broer dat doet, u vader kan misschien niet meer alleen naar  buiten” “Nee, zegt de man, dat kan hij ook niet want hij zit in een rolstoel”. “Een heleboel mensen zouden willen dat ze iemand hadden die bij hun vader of moeder in huis woont, om die te verzorgen”, zeg ik weer. “Ja dat is ook wel fijn, maar hij moet van die centen van pa afblijven”Ik zeg heel voorzichtig: “weet u wel zeker dat uw broer dat geld zomaar over de balk gooit, of doet hij er dingen voor uw vader mee?” Nee, ik weet zeker dat hij af en toe de boodschappen haalt, maar verder geeft hij het voor zichzelf uit, hij loopt altijd in dure kleren.”  Ik krijg langzamerhand het idee,dat ik deze mensen ook niet kan helpen. De toon van de man word steeds agressiever, en ik denk, als hij zo tegen zijn broer en vader doet, doen ze misschien expres de deur niet open. Dat zeg ik natuurlijk niet. Na heel  veel  heen en weer gepraat komen we er ook niet uit. Mijn enige advies was om nog eens te proberen een gesprek aan te gaan desnoods via de telefoon.  Ik heb er later nog  wel eens over nagedacht, en me echt afgevraagd,waarom sommige families het elkaar zo moeilijk maken. Zo jammer.






maandag 24 oktober 2011

Vriendin

Het is een warme zaterdag en ik zit in de tuin een boek te lezen. Dan gaat de telefoon: “Goedemiddag, mijn vriendin heeft Alzheimer denk ik, maar ik durf het niet tegen haar te vertellen, wij zijn al heel lang vriendinnen, hebben alles samen meegemaakt, trouwen, kinderen krijgen enz. Maar ze is nog zo jong, 58 jaar”Wat moet ik nu doen???” “U denkt dat uw vriendin Alzheimer heeft, maar u weet het niet zeker?” vraag ik, ondertussen gaan mijn hersenen al  werken  “geheugenpoli, huisarts, dagverblijf, alzheimercafe….. “Nee, ik weet  het niet, maar ze doet zo raar, ze vergeet haar afspraken met mij, en als ik haar dan bel, dan word ze boos op me, en komt ze met een smoesje waarom ze niet kon komen. En zo zijn er nog veel  meer dingen, als we gaan wandelen in het bos, we nemen altijd hetzelfde weggetje, dan zegt ze: leuk hier zeg, ik ben hier toch nog nooit geweest he???, als ik dan zeg, jawel dat doen we toch elke week, dan doet ze het af met een lolletje of zo..” “ja, zoals u het nu verteld, lijkt het wel op beginnende dementie, maar om het zeker te weten, moet uw vriendin toch langs  de huisarts en dan zou de geheugenpoli een goed idee zijn. : zeg ik, “Maar hoe krijg ik haar daar”vraagt ze, “ze wil het vast niet horen”. “Heeft u het al geprobeerd, praten met haar bedoel ik” vraag ik, Nee zegt ze, en ik raad haar aan, dat eens te doen. Soms zien mensen heel erg op tegen deze gesprekken, maar dan blijkt het achteraf heel erg mee te vallen,vaak is het een opluchting om het bespreekbaar te maken , hoe moeilijk dat ook is.

zaterdag 22 oktober 2011

Een paar interessante links:

Misschien heeft iemand  er iets  aan.



Website behorend bij het boek


voor dagbehandeling en begeleiding van familieleden


website over woningaanpassingen thuis in verband met dementie


Website over kleinschalig wonen met dementie


Webkrant voor mantelzorgers


Winkel  met bv spellen gericht op dementie

vrijdag 21 oktober 2011

Hondje

“Heeft u enig idee, of mijn vader zijn hondje mee mag nemen als hij in een verpleeghuis gaat wonen?”. “In sommige wel, in andere niet, dat ligt een beetje aan het verpleeghuis. Het is natuurlijk ook moeilijk,want ik neem aan dat u vader hem nu nog zelf uitlaat, maar tzt zal iemand anders dat moeten doen, en daar hebben ze in een verpleeghuis natuurlijk niet altijd tijd voor” zeg ik, terwijl mijn gedachten teruggaan naar een hele tijd geleden toen mijn moeder pas in het verpleeghuis woonde. Daar had een mevrouw haar hond ook meegenomen. Lang heeft dat niet geduurd,deze mevrouw keek op een gegeven moment niet meer naar haar hondje om. Het was ook erg veel werk om hem uit te laten. En eerlijk gezegd was het een beetje zielig. Niemand had tijd voor dat beestje. Hij is toen goed terecht gekomen bij een kind van een van de bewoners.

“Ja”gaat deze man verder, “hij kan echt niet zonder zijn hondje, en het is een kleintje”. “Dus willen we alleen dat onze vader ergens naar toe kan, waar dit hondje meekan”. “misschien een zorgboerderij?”opper ik “ik weet dat die bestaan voor mensen met dementie”. U zou eens op internet moeten zoeken”.  “Mevrouw, dit vind ik een superidee, een zorgboerderij, ik ga er meteen achteraan, daar waren we zelf nog niet opgekomen”. En, zeg ik” dan kan u  misschien eerst eens gaan kijken,of het echt wat is”. Dat gaan we doen, en bedankt voor deze tip. Ik ga het meteen aan Pa vertellen, dat zal hem opvrolijken”. Ho, Ho roep ik, het blijft natuurlijk wel een soort van verpleeghuis,dus of u vader echt  zo blij is met dit idee, dat is nog maar de vraag”. “nee u heeft helemaal gelijk”, zegt de man, “ik ga hem langzaam laten wennen aan het idee”.

Ik denk later, misschien is dat hondje al  heel oud, en leeft het niet meer als deze meneer naar het verpleeghuis gaat.